Meer over sla
terug

Sla

Alle slasoorten zijn ontstaan uit de kompassla, Lactuca serriola. Die kunt u in heel Europa nog zien op open plekken in het bos, op rotsen en braakliggende velden. De smaak van de wilde plant is afschuwelijk bitter. Dat komt (Lactuca !) door het witte melksap dat in doorschietende gekweekte sla ook nog gevormd wordt. De geschiedenis van de sla zal er dan ook een geweest zijn van het selecteren van minder bittere vormen en het komen tot een breder blad en kropvorming. Over de tijden verschillen de geleerden van mening; voor zover de Romeinen met sla bezig waren lijkt het te gaan om veldsla en werd er wel bindsla geteeld om de spijsolie in de zaden. De sla zoals wij die kennen is een middeleeuws kweekproduct.

Stevige kroppen zijn pas met zekerheid bekend sinds de 16-de eeuw. De veredeling richt zich nu op weerstand tegen ziekten, te snel doorschieten, bladvormen en kleuren. Sla heeft een rijke, luchtige bodem nodig die tijdens de groei voortdurend vochtig moet blijven.

In Amerika is ijsbergsla het meest geliefd. Het ras werd ontwikkeld in Californië om het transport naar de markten in het oosten beter te kunnen doorstaan. Bindsla, waarvan men de bladeren opbindt om tot een wat langwerpige krop te komen, is geliefd in het oostelijk Middellandse-Zeegebied. Wij hebben de Little Gem, een ‘bindsla’ die de gewenste vorm uit zichzelf aanneemt. We hebben verder de kropsla, de lollo rossa (rood) en de lollo bionda (blondgroen) die in Italië en Zuid-Frankrijk gewild zijn, en de rode en groene eikebladsla met een pittiger, nootachtige smaak.



Terug naar overzicht
Home
Zoek
Nieuws Contact Ligging