TAFELTJE ONTDEKJE - LENTE
Lente
Het is 2 maart en het kan over niets anders gaan dan licht.
Zelfs natuurkundig bezien is licht iets raadselachtigs: waar bestaat het uit, zijn het deeltjes of is het een elektromagnetische golfbeweging? Dat hangt letterlijk af van hoe je ernaar kijkt, zeggen de wetenschappers. Waar komt het vandaan? Van de zon, preciezer: vanuit de kern van de zon, waar de omstandigheden onvoorstelbaar zijn – het is er 15 miljoen graden heet, oneindig zwaar en dus volkomen duister. In die meest intense duisternis ontstaat het licht – om er meer dan 100.000 jaar gevangen te zitten door die immense zwaartekracht. Een veelvoud van die tijd van gevangenschap doet het licht erover om zich toch via elk toevallig kiertje en spleetje naar de buitenste lagen van de zon te worstelen. Een kronkelweg vol obstakels en weerstand, een Herculeswerk, dat uiteindelijk uitloopt op een stralende bevrijding van het licht en de warmte die voor het leven op onze planeet zo bepalend zijn. ¹
Lang voordat al deze natuurkundige kennis bekend kon zijn, hebben mensen het zonlicht ervaren als de positieve tegenhanger van de duisternis, aanleiding voor vreugde en feesten en toekenning van goddelijke krachten.
In onze streken (!) zijn het lengen van de dagen, de terugkeer van het licht na de donkere dagen rond kerst, de geleidelijke bevrijding uit de barre winter, diep verbonden geraakt met vruchtbaarheid en de heropleving van de natuur. Bijvoorbeeld bij een Keltisch feest waarbij grote vreugdevuren werden ontstoken. Dat feest zou een voorloper geweest kunnen zijn van het christelijke feest van Maria-Lichtmis op 2 februari, waarop o.a. gevierd wordt dat het kind Jezus veertig dagen na zijn geboorte in de tempel van Jeruzalem werd opgedragen aan G’d. Het licht moet je dan omdenken als (het symbolische) Licht.
De heropleving van de groene deken in ons landschap hangt samen met oplopende temperatuur – zo vanaf een grondtemperatuur van een graad of 16 begint het – maar ook met het licht. Lichtkiemers noemen we de zaden van planten die niet met aarde bedekt mogen worden. In de tuinbouw gaat het o.a. om sla, wortels, selderij, peterselie en kruiden als basilicum en dille. Maar het madeliefje is er ook zo een. De zaden liggen op de grond en worden op de tuin alleen even stevig aangedrukt, met een plankje. Het licht doet de rest.
¹) Hier heb ik dankbaar gebruik gemaakt van een gesprek met Willem Beekman over zijn boek ‘Ode aan de zon’ Uitgeverij Christofoor, Zeist, 2022
Gedicht
Misschien is het omdat vandaag de dag vooral de warmte van de zonnestralen onze opleving en stemming lijkt te kleuren, dat wij nauwelijks oog hebben voor het heel eigen karakter van dit maartse licht in onze ervaring. Maar voor dat soort fijnzinnigheid hebben we de dichters:
‘Er valt een Licht in lente / Doorheen het jaar niet gezien / Op enig andere tijden - / Dan wanneer Maart bijna zichtbaar is – misschien’
Zo, voorzichtig tastend, opent Emily Dickinson ( 1830 – 1886 Amhurst, VS) haar gedicht over dit bijzondere licht. Kan ik, kunnen wij haar volgen?
‘Een Kleur staat aan de overkant / Van Verre Lege Velden’, gaat zij verder.
De kleur staat, aan de andere kant van een leeg landschap. En verderop:
De kleur rust op (het gazon) , de kleur tekent, de kleur lijkt tot ons te spreken haast.
Het karakter van het maartse licht meldt zich nadrukkelijk; op een bepaalde plek, en in wat het doet. In de ervaring is het – bijna (!) – alsof dit licht zich tot jou als mens richt. Rusten op, tekenen en zeker het spreken, zijn woorden die bij mensen horen. Het toekennen van menselijke trekken aan de natuur zoals die zich aan ons voordoet, gebeurt veel in de 19de – eeuwse dichtkunst, vooral in de Romantiek. Dickinson maakt de indruk dat zij daarin voorzichtig en precies wil blijven.
Maar een raadsel blijft het; Een Kleur staat aan de overkant / Van Verre Lege Velden / Door Weten niet te achterhalen / Maar door een Mens gevoeld.
En zo is het. Natuurlijk, er is in de herfst een moment waarop de hoek waaronder het licht invalt precies gelijk is aan die van vandaag 2 maart. En waarop de tijden van zonsopgang en zonsondergang precies corresponderen met die van 2 maart. De bekleding van het landschap verschilt op dat moment en dat geeft natuurlijk een kleurverschil. En toch maakt het voor mijn gevoel ook uit of het licht uit de winterse duisternis komt (lente) of juist naar de duisternis toe gaat (herfst). Het maakt letterlijk uit wanneer je er als mens naar kijkt . . .
Wat mij betreft: laat dát maar een raadsel blijven, dan houden we tenminste nog wat over om dankbaar voor te zijn.
Hoe de narcis aan haar naam kwam
“Vrienden, hier volgt de mythe van de mooie Narkissos, naar wie een bloem werd genoemd: de narcis, bloem van de lente die al verwelkt en verdort voor de zomer echt kan beginnen.”
Zo begint de verteller in het prachtige boek Griekse Mythen, van Imme Dros (2007). Eerst wordt, naar goed gebruik, de lezer gewaarschuwd: het verhaal is treurig, om te huilen. Lezen op eigen risico…
Ik vat het verhaal in de kern samen: Narkissos werd geboren uit een riviergod en een nimf en was als baby al beeldschoon en onweerstaanbaar aantrekkelijk. Maar al voor de geboorte had een ziener ook gezegd dat het kind gelukkig zou worden als het zichzelf niet leerde kennen.
Het opgroeiende kind nam alle mogelijke bewijzen van liefde, van meisjes en jongens, mannen en vrouwen, minzaam in ontvangst. Hij werd als een godheid aanbeden, maar hij gaf niets terug, omdat hij totaal geen empathie, ja, totaal geen gevoel had.
Zo wees Narkissos op een hardvochtige, vernederende manier de verliefde nimf Echo af, die daarop verviel tot een ellendig diep lijden. En dat kwam Narkissos duur te staan, want de godin Artemis, die een zwak had voor Echo, zon op wraak. Eerst wilde zij Narkissos doden met een pijl, maar na nog een ander voorval besloot ze dat hij niet moest sterven, maar óók moest lijden. Hoe? Dat ging zij vragen aan Eros die de liefdesbegeerte opwekt bij goden en mensen.
Eros begreep dat Narkissos diep ongelukkig zou worden als hij zichzelf leerde kennen; met een beetje hulp van Eros zou hij uiteraard gekmakend verliefd worden op zichzelf, maar dat ‘zelf’ zou zijn liefde, tevens uiteraard, niet beantwoorden – onbereikbaar blijven! Eros en Artemis smeedden daartoe een plan.
De volgende dag, toen hij zich na de jacht in een beek wilde baden, zag Narkissos Narkissos. Op het moment dat hij zich voorover boog om ook wat te drinken, schoot Eros zijn pijl. Niet wetend wat hem plotseling overkwam, bleef Narkissos kijken naar zijn spiegelbeeld. Tot een windvlaag het beeld deed verdwijnen. Met een verterend verlangen zocht hij naar vijvers waar de wind geen vat op had, om het onbereikbare te blijven najagen. Om uiteindelijk naar beneden te glijden in het water… Het voorovergebogen bloemkopje van de narcis herinnert aan dit verhaal.
I wandered lonely as a cloud (The daffodils)
Ik zwierf eenzaam als een wolk / Die drijft hoog over dalen en heuvels, / Toen ik plotseling een menigte zag, / Een massief aan gouden narcissen; / Aan de rand van het meer, onder de bomen, / Wapperend en dansend in de wind.
Aanhoudend als de sterren die schijnen / En twinkelen in de Melkweg, / Strekken zij zich uit in een eindeloze band / Langs de rand van een baai; Tienduizend zag ik er in een oogopslag, / Hun hoofden heen-en-weer bewegend in een levendige dans.
De golven naast hen dansten; maar zij / Overtroffen de sprankelende golven in opgewektheid: Een dichter kon niet anders dan vrolijk zijn, / In zo’n blij-luchtig gezelschap: Ik staarde – en staarde – maar bedacht me nauwelijks / Wat een weelde het tafereel me had gebracht:
"Want vaak, als ik op mijn bank lig
In ledigheid of mijmerende stemming,
Springen zij op in het innerlijk oog
Dat de genade is van het alleen zijn;
En dan vult mijn hart zich met welbehagen,
En danst met de narcissen"
William Wordsworth schreef dit gedicht in 1804 als een herinnering aan wat hij ‘gezien’ had op een wandeling in april 1802 (!) Op het eerste oog geeft het, vooral in de eerste drie coupletten, niet veel te denken. Een tweede blik, die zich vormde met het zoeken naar een passende vertaling, brengt meer aan het licht: Tijdens de wandeling is hij eenzaam, in de herinnering is hij alleen.
De eenzame, de geïsoleerde buitenstaander, wordt geconfronteerd met een menigte, een massief aan narcissen waarvan de massaliteit in een oogopslag geregistreerd wordt. Het fascineert hem, overweldigt hem, hij kan niet anders dan (ook) vrolijk zijn, hij staart en staart als een konijn gevangen in een lichtbundel – maar hij staat erbuiten, er tegenover.
Alleen zijn, als je geest niet zo doelgericht aan het werk is, schept ruimte voor je innerlijk (gevoels-) leven, noem het je ziel. Dan wordt gedwongen vrolijkheid vervangen door welbehagen. Dan danst zijn hart met de narcissen waar hij eerst tegenover stond. Dan is hij onderdeel van, en één met de natuur. Romantiek.