Narcissen

TAFELTJE ONTDEKJE - LENTE

23-03-2026

Lente

 

Het is 2 maart en het kan over niets anders gaan dan licht.

 

Zelfs natuurkundig bezien is licht iets raadselachtigs: waar bestaat het uit, zijn het deeltjes of is het een elektromagnetische golfbeweging? Dat hangt letterlijk af van hoe je ernaar kijkt, zeggen de wetenschappers. Waar komt het vandaan? Van de zon, preciezer: vanuit de kern van de zon, waar de omstandigheden onvoorstelbaar zijn – het is er 15 miljoen graden heet, oneindig zwaar en dus volkomen duister. In die meest intense duisternis ontstaat het licht    om er meer dan 100.000 jaar gevangen te zitten door die immense zwaartekracht. Een veelvoud van die tijd van gevangenschap doet het licht erover om zich toch via elk toevallig kiertje en spleetje naar de buitenste lagen van de zon te worstelen. Een kronkelweg vol obstakels en weerstand, een Herculeswerk, dat uiteindelijk uitloopt op een stralende bevrijding van het licht en de warmte die voor het leven op onze planeet zo bepalend zijn. ¹

 

Lang voordat al deze natuurkundige kennis bekend kon zijn, hebben mensen het zonlicht ervaren als de positieve tegenhanger van de duisternis, aanleiding voor vreugde en feesten en toekenning van goddelijke krachten. 

 

In onze streken (!) zijn het lengen van de dagen, de terugkeer van het licht na de donkere dagen rond kerst, de geleidelijke bevrijding uit de barre winter, diep verbonden geraakt met vruchtbaarheid en de heropleving van de natuur. Bijvoorbeeld bij een Keltisch feest waarbij grote vreugdevuren werden ontstoken. Dat feest zou een voorloper geweest kunnen zijn van het christelijke feest van Maria-Lichtmis op 2 februari, waarop o.a. gevierd wordt dat het kind Jezus veertig dagen na zijn geboorte in de tempel van Jeruzalem werd opgedragen aan G’d. Het licht moet je dan omdenken als (het symbolische) Licht.

 

De heropleving van de groene deken in ons landschap hangt samen met oplopende temperatuur – zo vanaf een grondtemperatuur van een  graad of 16 begint het – maar ook met het licht. Lichtkiemers noemen we de zaden van planten die niet met aarde bedekt mogen worden. In de tuinbouw gaat het o.a. om sla, wortels, selderij, peterselie en kruiden als basilicum en dille. Maar het madeliefje is er ook zo een. De zaden liggen op de grond en worden op de tuin alleen even stevig aangedrukt, met een plankje. Het licht doet de rest.

 

¹) Hier heb ik dankbaar gebruik gemaakt  van een gesprek met Willem Beekman over zijn boek ‘Ode aan de zon’ Uitgeverij Christofoor, Zeist, 2022    

Gedicht

 Misschien is het omdat vandaag de dag vooral de warmte van de zonnestralen onze opleving en stemming lijkt te kleuren, dat wij nauwelijks oog hebben voor het heel eigen karakter van dit maartse licht in onze ervaring. Maar voor dat soort fijnzinnigheid hebben we de dichters:

 

‘Er valt een Licht in lente / Doorheen het jaar niet gezien / Op enig andere tijden - / Dan wanneer Maart bijna zichtbaar is – misschien’

 

Zo, voorzichtig tastend, opent Emily Dickinson ( 1830 – 1886 Amhurst, VS) haar gedicht over dit bijzondere licht. Kan ik, kunnen wij haar volgen?

 

‘Een Kleur staat aan de overkant / Van Verre Lege Velden’, gaat zij verder.

 

De kleur staat, aan de andere kant van een leeg landschap. En verderop:

 

De kleur rust op (het gazon) , de kleur tekent, de kleur lijkt tot ons te spreken haast.

 

Het karakter van het maartse licht meldt zich nadrukkelijk; op een bepaalde plek, en in wat het doet. In de ervaring is het – bijna (!) – alsof dit licht zich tot jou als mens richt. Rusten op, tekenen en zeker het spreken, zijn woorden die bij mensen horen. Het toekennen van menselijke trekken aan de natuur zoals die zich aan ons voordoet, gebeurt veel in de 19de – eeuwse dichtkunst, vooral in de Romantiek. Dickinson maakt de indruk dat zij daarin voorzichtig en precies wil blijven.

 

Maar een raadsel blijft het; Een Kleur staat aan de overkant / Van Verre Lege Velden / Door Weten niet te achterhalen / Maar door een Mens gevoeld.

 

En zo is het. Natuurlijk, er is in de herfst een moment waarop de hoek waaronder het licht invalt precies gelijk is aan die van vandaag 2 maart. En waarop de tijden van zonsopgang en zonsondergang precies corresponderen met die van 2 maart. De bekleding van het landschap verschilt op dat moment en dat geeft natuurlijk een kleurverschil. En toch maakt het voor mijn gevoel ook uit of het licht uit de winterse duisternis komt (lente) of juist naar de duisternis toe gaat (herfst). Het maakt letterlijk uit wanneer je er als mens naar kijkt . . .

 

Wat mij betreft: laat dát maar een raadsel blijven, dan houden we tenminste nog wat over om dankbaar voor te zijn.

Hoe de narcis aan haar naam kwam

“Vrienden, hier volgt de mythe van de mooie Narkissos, naar wie een bloem werd genoemd: de narcis, bloem van de lente die al verwelkt en verdort voor de zomer echt kan beginnen.”

 

Zo begint de verteller in het prachtige boek Griekse Mythen, van Imme Dros (2007). Eerst wordt, naar goed gebruik, de lezer gewaarschuwd: het verhaal is treurig, om te huilen. Lezen op eigen risico…

 

Ik vat het verhaal in de kern samen: Narkissos werd geboren uit een riviergod en een nimf en was als baby al beeldschoon en onweerstaanbaar aantrekkelijk. Maar al voor de geboorte had een ziener ook gezegd dat het kind gelukkig zou worden als het zichzelf niet leerde kennen.

 

Het opgroeiende kind nam alle mogelijke bewijzen van liefde, van meisjes en jongens, mannen en vrouwen, minzaam in ontvangst. Hij werd als een godheid aanbeden, maar hij gaf niets terug, omdat hij totaal geen empathie, ja, totaal geen gevoel had.

 

Zo wees Narkissos op een hardvochtige, vernederende manier de verliefde nimf Echo af, die daarop verviel tot een ellendig diep lijden. En dat kwam Narkissos duur te staan, want de godin Artemis, die een zwak had voor Echo, zon op wraak. Eerst wilde zij Narkissos doden met een pijl, maar na nog een ander voorval besloot ze dat hij niet moest sterven, maar óók moest lijden. Hoe? Dat ging zij vragen aan Eros die de liefdesbegeerte opwekt bij goden en mensen.

 

Eros begreep dat Narkissos diep ongelukkig zou worden als hij zichzelf leerde kennen; met een beetje hulp van Eros zou hij uiteraard gekmakend verliefd worden op zichzelf, maar dat ‘zelf’ zou zijn liefde, tevens uiteraard, niet beantwoorden – onbereikbaar blijven! Eros en Artemis smeedden daartoe een plan.

 

De volgende dag, toen hij zich na de jacht in een beek wilde baden, zag Narkissos Narkissos. Op het moment dat hij zich voorover boog om ook wat te drinken, schoot Eros zijn pijl. Niet wetend wat hem plotseling overkwam, bleef Narkissos kijken naar zijn spiegelbeeld. Tot een windvlaag het beeld deed verdwijnen. Met een verterend verlangen zocht hij naar vijvers waar de wind geen vat op had, om het onbereikbare te blijven najagen. Om uiteindelijk naar beneden te glijden in het water… Het voorovergebogen bloemkopje van de narcis herinnert aan dit verhaal.

 

 I wandered lonely as a cloud (The daffodils)

Ik zwierf eenzaam als een wolk / Die drijft hoog over dalen en heuvels, / Toen ik plotseling een menigte zag, / Een massief aan gouden narcissen; / Aan de rand van het meer, onder de bomen, / Wapperend en dansend in de wind.

 

Aanhoudend als de sterren die schijnen / En twinkelen in de Melkweg, / Strekken zij zich uit in een eindeloze band / Langs de rand van een baai; Tienduizend zag ik er in een oogopslag, / Hun hoofden heen-en-weer bewegend in een levendige dans.

 

De golven naast hen dansten; maar zij / Overtroffen de sprankelende golven in opgewektheid: Een dichter kon niet anders dan vrolijk zijn, / In zo’n blij-luchtig gezelschap: Ik staarde – en staarde – maar bedacht me nauwelijks / Wat een weelde het tafereel me had gebracht:

"Want vaak, als ik op mijn bank lig
In ledigheid of mijmerende stemming,
Springen zij op in het innerlijk oog
Dat de genade is van het alleen zijn;
En dan vult mijn hart zich met welbehagen,
En danst met de narcissen"

William Wordsworth schreef dit gedicht in 1804 als een herinnering aan wat hij ‘gezien’ had op een wandeling in april 1802 (!) Op het eerste oog geeft het, vooral in de eerste drie coupletten, niet veel te denken. Een tweede blik, die zich vormde met het zoeken naar een passende vertaling, brengt meer aan het licht: Tijdens de wandeling is hij eenzaam, in de herinnering is hij alleen.

 

De eenzame, de geïsoleerde buitenstaander, wordt geconfronteerd met een menigte, een massief aan narcissen waarvan de massaliteit in een oogopslag geregistreerd wordt. Het fascineert hem, overweldigt hem, hij kan niet anders dan (ook) vrolijk zijn, hij staart en staart als een konijn gevangen in een lichtbundel – maar hij staat erbuiten, er tegenover.

 

Alleen zijn, als je geest niet zo doelgericht aan het werk is, schept ruimte voor je innerlijk (gevoels-) leven, noem het je ziel. Dan wordt gedwongen vrolijkheid vervangen door welbehagen. Dan danst zijn hart met de narcissen waar hij eerst tegenover stond. Dan is hij onderdeel van, en één met de natuur. Romantiek.

 

Ook het kleine spul heeft namen

Het is lente. Mijn ‘winterse blik’ – landschap, bossen, luchten, wateren – buigt zich naar de grond waarop het zonlicht is geland, naar het nietige en onooglijke. In het vroege voorjaar, ja soms al in de winter, tonen zich in de kruidlaag allerlei kleine plantjes. Sommige nog maar als een beginsel, andere reeds bloeiend: het wilde kleine spul dat toch al eerder de aandacht van mensen moet hebben getrokken, want ze hebben namen gekregen: volksnamen – vaak per streek verschillend – en uiteraard wetenschappelijke namen, in het Latijn.

 

De naam van een plant is nooit een eigennaam, zoals de voornaam van je kind, maar altijd een groepsnaam voor planten die op elkaar lijken. Zo kan ik te allen tijde het plantje met de naam Vroegeling overal op de tuin aanwijzen, omdat zezonder diep en gedetailleerd te hoeven kijken op elkaar lijken. Vroegeling is de aanduiding van een soort. Bloeiwijze, stengels, bladvorm, bladrand, kleur: het eerste oog is hier meestal afdoende voor de herkenning – daar staat er nog zo een! Over de bloem zelf kan ik dan alleen nog maar zeggen: wit. De (vele) bloemetjes zijn zo klein en compact, dat er een vergrootglas en een speld aan te pas moeten komen om iets te zeggen over de bloemvorm. En de wetenschap gaat nog verder, want waar let je op? Wat dieper kijkend, kun je nieuwe kenmerken toevoegen en/of een opvallend bestaand kenmerk opschalen als belangrijker dan andere. En dan kun je kijken of er ook verschillende soorten zijn die meerdere, vooral belangrijke kenmerken gemeenschappelijk hebben en dientengevolge kunnen worden samengevoegd in een geslacht. De soort Vroegeling kwam zo te behoren tot het geslacht Hongerbloempje. En zo voort en zo verder: aan elkaar verwante geslachten worden ondergebracht in eenzelfde familie. Het hele geslacht Hongerbloempje, en dus ook de soort Vroegeling behoren tot de familie van de kruisbloemigen: met vier kruislings tegenover elkaar staande bloemblaadjes. En zo is deze tere, nietige Vroegeling familie van o.a. onze grote, robuuste, kruisbloemige koolplanten. En dat dan in het Latijn, dat ik hier met opzet niet gebruikt heb.

 

De Vroegeling is een winterbloeier, soms al eind januari. Het plantje maakt zaadjes door zelfbestuiving; bloemetjes van dezelfde plant bestuiven elkaar. En dat past bij het feit dat er in de winter geen actieve insecten zijn, en dat past weer bij het feit dat de plant geen grotere, aanlokkelijke bloemen hoeft te hebben – o, hoe wonderschoon past alles in elkaar, als een hand in een handschoen. Het plantje is eetbaar, maar dat wordt nooit gedaan. Limburgse volksnamen zijn: ‘armoedje’ en ‘mager mannetje’. Daar komt bij dat men vroeger pas honger kreeg aan het eind van de winter, als de voorraden opraakten en het frisse groen nog moest opkomen.

vroegeling

Ik zet een anderevroege voorjaarsbloeier naast de Vroegeling: een van de soort Kleine veldkers, die behoort tot het geslacht Veldkers. Enige gelijkenis, maar zoek ook de verschillen!

 

De Kleine veldkers komt voor op braakliggende akkers (veld) en langs wegranden. Het plantje werd in de traditionele heelkunde wel gebruikt – bloedzuiverend, ontstekingsremmend en weerstand versterkend – en wat vaker gegeten, het heeft een hoog gehalte aan vitamine C. De Kleine Veldkers en de Vroegeling behoren tot verschillende geslachten, maar op een hoger niveau zijn ze allebei onderdeel van dezelfde familie van de kruisbloemigen.

veldkers

Nog wat klein spul, maar beduidend opvallender:

 

Het Driekleurig viooltje

 

Opvallender, en niet zo’n beetje ook; uitbundige, kleurrijke, complexe bloemen heeft deze soort, die onderdeel is van het geslacht en de familie van de Viooltjes. Uitbundig (daarom?) ook in de verbinding, door de eeuwen heen, met: de liefde tussen twee vrouwen in de gedichten van Sappho (ca. 630 voor Chr.) onder de Griekse naam Iona, met de herinnering en eerbetoon aan de doden bij de Romeinen, met het christendom (‘Herba Trinitatis’ de Drievuldigheid, paars als de kleur van Jezus’ lijden, nieuw leven), en in de traditionele heelkunde met de behandeling van een scala aan aandoeningen, van kinderziekten, luchtwegen, hartkwalen, tot huidziekten. Maar altijd ook symbool voor kinderlijke onschuld, nederigheid, bescheidenheid, en liefdevol aandenken.

 

Ja opvallender, als je ze eenmaal gevonden hebt; de plant houdt van enigszins beschaduwde, vochtige plekken. In de schaduw van grotere planten, bomen; je kijkt toch makkelijk over ze heen.

driekleurig viooltje

Het Madeliefje

 

Nee, de schaduw zoekt het madeliefje niet. Ze houden van kort gemaaid gras. De zaden zijn lichtkiemers die gedijen overal waar het zonlicht maar doordringt tot de grond. De blaadjes liggen in een rozet op de grond. In de oksels van de blaadjes vormen zich korte zijstengels die naast de plant een nieuwe rozet vormen; zo kunnen hele matten ontstaan, waardoor het gras geen kans krijgt. Symbool van de ‘Maghet lieve’, Maria en haar onoverwinnelijke liefde voor alle dingen. En vriendin van kinderen, die haar wél naar hartenlust mogen plukken!

 

madelief