TAFELTJE ONTDEKJE - NAAR PLANTEN KIJKEN
Naar planten kijken
Begin mei. In de schaduw van de vlechtschutting langs de oostkant van de kruidentuin, staat het tafeltje. In de border staan de vroege bosplanten – de bloei loopt helaas al op z’n eind: onze-lieve-vrouwebed’stro, daslook, en longkruid. Ertegenover, aan de andere kant van het pad, staan de Chinese bieslook en de nu bloeiende gewone bieslook. Ik kijk naar de planten – als de planten die ze zijn, beeldbepalend voor mijn lente.
Een dankbare plant is het longkruid voor wie iets wil vertellen over de herkomst van de naam én over hoe wonderschoon alles in elkaar past – maar dat laatste voor later.
De naam longkruid werd ooit aan de plant gegeven vanuit de signatuurleer. In teksten van de Grieks-Romeinse arts Claudius Galenus (geb.129 na Chr.) werden al aanzetten gegeven tot deze, op planten gerichte geneeskunstige leer, die tot in de 19de eeuw (mede) in gebruik bleef. De grondgedachte is, dat in de uiterlijke kenmerken van een plant een verwijzing (signa) te vinden kan zijn naar de ziekte of aandoening waarbij deze plant helend gebruikt kan worden. Het zo bedoelde teken is aangebracht door de Natuur zelf of (later) de Schepper. Het verwijzende kenmerk kon gezocht worden in de stengel ( rond, hoekig, hol), de kleur van de bloem, stengel of wortel (waarbij werd uitgegaan van een reeds geaccepteerd symbolisch verband tussen kleuren en bepaalde organen of lichaamsvochten), in de groei- en bloeiwijze (de lucht in, naar de aarde, horizontaal), in de aanwezigheid van doornen (weerstand), en in de bladeren (vorm en tekening).
Via dat laatste, de vorm en tekening van de bladeren, kreeg het longkruid haar naam en bestemming bij de behandeling van long- en luchtweg aandoeningen.
Zo gedacht, zouden de ronde stengels van de gewone bieslook verwijzen naar vrouwelijkheid en daarmee (?) naar een harmoniserende werking. Een werking met name op slokdarm en luchtpijp, vanwege de ook holle stengels. De platte, meer hoekige Chinese bieslook zou duiden op mannelijkheid en dus (?) werken op een algemene verhoging van stevigheid en weerstand. En zo voort.
En nu, met het verschijnen van mijn vraagtekens, is het tijd voor een pas op de plaats, voordat er een zekere lacherigheid bezit van ons neemt. Want zoals altijd, moet ook deze verhouding tot de werkelijkheid gezien worden in haar eigen tijd en plaats. De meeste mensen in de Griekse oudheid waren zich er niet of nauwelijks van bewust, maar er begon iets te verschuiven in die verhouding. Door een culturele voorhoede zichtbaar gemaakt en verwoord: er ontstaat een afstand tussen mens en natuurlijke omgeving. De mens – ik hier – wil kennis en inzicht vergaren over de werkelijkheid – dat alles daar – die hem omringt, die buiten hemzelf bestaat. Wát is dat, waar bestaat het uit, wat zijn de kenmerken, waarmee komt het overeen, wat is de plek ervan in het grotere geheel? Een waar festival van het scheppen van een nieuwe ordening, vanuit een nieuwe manier van kijken.
Is dat dan niet altijd zo geweest? Van waaruit begint het te schuiven? Vanuit tijden en plaatsen waarin de mythische deelname aan de werkelijkheid zich helder vertoonde. Centraal stond de overweldigende ervaring dát iets is. De mens werd door het er-zijn van die wereld in beslag genomen, bezet. “Die ervaring is een vitale macht die het denken en doen in zijn ban houdt.”¹ Er is geen absolute scheiding tussen de binnenwereld van een mens en de buitenwereld, eerder geldt: zo binnen, zo buiten. Opgroeiend in een stamverband kregen mensen met de mythen en symbolen zicht op vreemde krachten. Mythen en symbolen die, in hun beleving, zélf werkelijke krachten zijn – heilig zijn. Macht werd gezocht via magie, die in handen was van slechts enkele ingewijden.
De nieuwe manier van kijken hield een verschuiving in van deelnemend – zoals een jong kind naar een pluizenbol van een paardenbloem – naar observerend. En vervolgens – op basis van observaties – het ordenen, het indelen in klassen.
Maar, indelen met het oog waarop? Onvermijdelijk komt daarbij de vraag naar het achterliggende doel of belang op. Een voorbeeld: het blad van de plataan lijkt sterk op dat van een druif. Anderzijds, de plataan groeit omhoog, de druif horizontaal, de plataan kan op zichzelf staan, de druif moet zich ergens aan vast kunnen houden, de plataan geeft geen eetbare vruchten, de druif bij uitstek wel. Is de bladvorm hier een bruikbaar criterium om beide in eenzelfde klasse onder te brengen? ² Dat hangt af van het waartoe van degene die de indeling maakt. Is het te doen om kennis te vergaren over planten als planten, en hun onderlinge relaties? Of gaat de interesse uit naar – afgeleide belangen – planten als helend in de zin van het herstellen van evenwicht waar dat verstoord is, gif en tegengif.
Kortom, de weg naar mijn ‘kijken naar de planten – als de planten die ze zijn’ is een lange geweest. Zeker geen onkritische geschiedenis: kan de Natuur iets bedoelen? Kun je wel rechtstreeks van een uiterlijk kenmerk, opgevat als teken, naar de toepassing, of gaat het om een ‘essentie’ die daaronder ligt? Maar als een (misschien wel te groot) project en de dichterlijke vrijheid die men zich daarbij wel móest veroorloven, blijft het mij ontroeren.
¹ C.A. van Peursen, Strategie van de cultuur, 1970 ² Anna Pavord, Namen noemen,2005, H.1