DSC

Tafeltje Dekje "Zomer"

15-06-2026

Begin juni, en mijn blik staat op zorgen en onweer en een gebrek aan focus. Op een snikhete week volgde een periode met hoosbuien en windstoten; zal het tere vlas nog overeind staan? We gaan naar de zomer toe. Op 24 juni, de feestdag van Sint-Jan, is het alweer de langste dag en begint de nog maar net begonnen zomer zijn afdaling richting herfst. De zon heeft dan om twaalf uur haar allerhoogste punt bereikt, de natuur is zo goed als voltooid, het frisse groen zal weldra vermoeid  en stoffig worden, de slakken komen, en ook het kruid dat op plekken staat waar wij het niet willen hebben.

Er is iets vreemds aan de hand met de zomer en dat moet ik toch eerst even onderzoeken. In onze dagen roept het woord ‘zomer’ associaties op met een idyllische, in de beleving nog eindeloze periode van zorgeloos alleen maar vrije uitloop. Maar we weten uit ervaring dat geluk niet onbegrensd is, sterker nog:  dat wat ons gelukkig maakt, werpt zélf de schaduwen van zijn eindigheid vooruit. Zo komt het dat de werkelijkheid in de ervaring ondraaglijk mooi kan zijn. Het kan verkeren. En toch houden we ook vast aan die ‘ideale eindeloze zomer’, die we graag opzoeken in onze herinnering, aan plekken waar we ooit gelukkig waren.

Emily Jane Brontë (1818-1848) dichtte:

Als dagen van Schoonheid de aarde bekleden / Of ruwe nachten haar bestormen  Hoe zeker is mijn geest van de weg / Die hij moet gaan

Hij zoekt de gewijde plek / Geliefd in kinderjaren / Het tussenruim geheel vergeten / Zijn kwetsuren en zijn tranen

 

Juni is de maand waarin de rozen gaan bloeien. Er is geen betere kandidaat om ons die idyllische eindeloze zomer voor ogen te toveren. Al heel vroeg in de geschiedenis werd er over ze geschreven, onder andere op aangeven van Alexander de Grote (geb. 356 v. Chr.) na zijn reis naar India. In die tijd, waarin de bekendheid met planten grotendeels afhing van hun bruikbaarheid – als voedsel en/of geneeskunstig – was dat bijzonder, want bloemen werden in de toenmalige heelkunde nauwelijks gebruikt

roos

Toch had de roos de aandacht op zich gevestigd en blijkbaar vermoedde men mogelijkheden. Bruikbare planten kregen een naam en waren hoogstwaarschijnlijk gecultiveerd door middel van selectie, stekken en enten. Ten tijde van Theophrastus, de Griekse grondlegger van de plantkunde (geb. rond 370 v. Chr.), was van de ongeveer 500 bij naam bekende planten 80 % gecultiveerd, de rest werd niet goed bekeken. Meer dan een naam – ‘roos’ – zal de plantenkenner nog niet hebben gehad toen hij aan de beschrijving wilde beginnen. En dan stuit hij op de kwestie die Shakespeare aankaartte in Romeo en Julia:

“What’s in a name? That which we call a rose by any other name would smell as sweet.”   (Wat zegt ons een naam? Dat wat wij een roos noemen, zou net zo zoet geuren met welke andere naam dan ook.)

Het ‘probleem’ is dat we geuren nauwelijks anders kunnen beschrijven dan met een verwijzing naar het  geurende object – of een voorstelling daarvan. (Vergelijk het omschrijven van de ‘neus’ van een goede wijn.) We lenen wel wat van de vijf smaakaanduidingen, maar heel precies zijn die ook niet. Kortom: zonder een echte roos, of een daarop gebaseerde voorstelling, komen we niet bij de geur. En die geur is de essentie – de kern van het zijn – van de roos, wil Shakespeare zeggen.

De essentie, en misschien ook de kleuren? ‘Roos, hoe ben je aan dát rood gekomen?’ En de grootte van de gulle open bloemen? Of misschien verschijnt de essentie onmiddellijk bij het spontane ervaren van een roos als geheel. Een ervaring – en dus een essentie – die niet goed in taal uiteen te leggen vallen. De ‘roosheid’ van de roos. Tja…

De roos had de aandacht stevig vast, maar haar ‘gebruik’ zou, in oude tijden, toch vooral op het culturele vlak komen te liggen. Rozen uit Piëria krijgen, was voor een Griekse dichter(es) een bevestiging van de hoge kwaliteit van zijn of haar werk. Piëria, op de berg Olympus, was de geboorteplaats van de Muzen, de mythische godinnen van kunsten en wetenschappen, geboren uit Zeus en de godin van het geheugen. Ze waren voorstellingen van geestelijke krachten, verbonden met adem en lucht. Tegenwoordig duiden ze op inspiratie of een bezielende kracht; allebei begrippen die wel ervaren kunnen worden, maar niet afdoende in taal uit te leggen vallen. Precies in die sfeer zijn de rozen helemaal thuis.

Het lijkt erop dat gaandeweg de roos is geworden tot een beeld of teken dat, zelf onuitlegbaar, symbool staat voor álle diepere, of juist hogere, dan wel goddelijke ervaringen die niet letterlijk te beschrijven zijn. Dat zou dan de ‘mystieke roos’ zijn, die zich breed heeft verbonden met: de hoofse liefde – zuiver als berglucht, de dichtkunst, het praktische katholieke volksgeloof ( vanaf de 12de eeuw), en kloosterwijsheid. Maar ook met de troebele godsdienstige twisten, politieke twist (en oorlog), en vanaf de 18de eeuw ook met de soms niet bepaald luchtige, duistere krochten van de menselijke geest of de roerselen van zijn of haar ziel.

         Van Ida Gerhardt (1905 – 1997) uit de bundel Het Sterreschip (1980):

                                                     

                                                             Juninacht     

                                 Vreemd aan de ander in war door elkander

                                 danst om de rozen die raadselen zijn.

                                 Wars is de wijn op de bodem der kelken, 

                                 groene festoenen zij moeten verwelken:

                                 danst door de doolhof van lachen en pijn.

 

                                 Naderen, kruiselings wisselen, keren;

                                 tegen verlangen kan geen zich verweren:

                                 vraag het de rozen die raadselen zijn.

 

                                 Dansen is dolen is derven en zwerven,

                                 aarzelend verkiezen en rakelings verliezen,

                                 handen in handen staan bij het refrein;       

                                 zingen en springen, de tranen verdringen:

                                 danst om de rozen die raadselen zijn.

Op de kruidentuin staat een egelantier in de haag. Een van de drie belangrijkste inheemse wilde rozen, naast de hondsroos en de duinroos. Onder Tony’s appelboom groeit de apothekersroos, een oude cultivar. That’s in a name.

 

roos 2
Roos
Roos 2
Roos 3
Roos 4