Tafeltje Dekje "Americana"
Wat een rake column van mijn collega schrijfster Eva! Lees Kools Kolumn juli, van begin tot eind, want daar staat een gedicht dat een opwekkende draai geeft aan alles wat er in deze zomer van extremen tegenzit, mislukt, drukkend is, en daardoor dreigt te ontmoedigen.
In het gedicht zie ik vanaf grote hoogte een tractortje over het veld rijden, omgeven door wolken gortdroge grond – trekker-de-trek – het kleine menselijk bedrijf, en ook het heuphoge onkruid waar mensjes doorheen waden en dat ‘slechts wil groeien, bloeien en met de tuinders stoeien’. Deze beelden en de gekozen woorden houden ons bij de les: dat de tuin een oefenplaats blijft voor de omgang tussen mensen en natuur, twee begrippen waarvan de inhoud niet definitief is vast te leggen. De omgang tussen die twee zal dus nooit appeltje eitje zijn. In wezen een voortdurend project dat naast ervaringen van ontroerende schoonheid ook brute en uitgesproken lelijke momenten kent. We moeten er dwars doorheen, niet Spartaans laconiek, maar met een glimlach om alles waar we niet omheen kunnen. Arbeid kan dan aanvoelen als corvee – maar de juiste regenbui ook als genade.
Enige afstand en speelse relativering doen wonderen tegen moedeloosheid. Wat ook helpt zijn de dingen die weldadig vrucht dragen. Daar moet ik het eens over hebben. Dat is geen moeilijke keus, want in ons onvolprezen winkeltje springen weldadige overvloed en variëteit regelmatig in het oog, zoals onder andere bij de droogbonen, de aardappelen en nu, 15 augustus, de tomaten.
Oorspronkelijk zijn ze alle drie afkomstig uit het Amerikaanse continent (dat geldt voor de overgrote meerderheid van de bonen; de tuinboon daarentegen komt uit het Midden-Oosten). Nadat Columbus, die in opdracht van Spanje westwaarts zeilde om Indië te zoeken, in 1492 op dat Amerikaanse continent was gestuit, kwam er een grootscheepse uitwisseling van planten, dieren en ook ziekten met Europa op gang. Denk ook aan ananas (-bes), aubergine, pepers, paprika, maïs, tabak. Sommige gewassen bleven in Europa exotisch, duur en dus geschikt om mee te pronken door rijke mensen. Andere hadden het in zich om tot stapelvoedsel te worden; voedsel dat traditioneel door gewone mensen elke dag gegeten wordt, dat ook in grote hoeveelheden vrij makkelijk te verbouwen is – niet kieskeurig wat grondsoort betreft, ook op armere grond – en goed bewaarbaar of verwerkbaar is. Zo gewoon en dagelijks als bonen, aardappelen, en tomaten.
Bonen
Bonen en erwten behoren tot de vlinderbloemigen, een van de omvangrijkste plantenfamilies. De herkomst van de naam is heel makkelijk te zien bij de bloemen van lathyrus en met een speld en een vergrootglas ook bij klaver. Veruit het grootste deel van de vlinderbloemigen leeft op een bijzondere manier samen met de wortelknobbelbacteriën die zich nestelen op de wortels van de planten. De bacteriën zetten de plant aan tot het vormen van kleine knolletjes vanwaaruit ze stikstof uit de lucht halen en vastleggen, en daarmee de plant voorzien van voeding. Daardoor kunnen bonen groeien op voedselarme grond; ze hebben hun eigen ‘kunstmestfabriekje’ onder de grond. De samenleving (symbiose) is wederkerig: de bacteriën ontvangen van de plant suikers en koolhydraten voor energie en een beschut onderkomen in de wortelknolletjes. Bovendien heeft de plant een mechanisme ontwikkeld dat zorgt voor een precieze (!) minieme hoeveelheid zuurstof, juist genoeg om de bacteriën in leven te houden, maar niet teveel om de stikstofbinding niet te verstoren. O, hoe wonderschoon past alles hier in elkaar!
Voor Henry David Thoreau, geboren 1815 in Massachusetts in het noorden van de VS, stonden bonen voor: “ zelfvoorziening, rust en eenvoud, en leven in en met de natuur “. De boon als zinnebeeld voor een ideaal levensontwerp. Thoreau was dan ook meer schrijver, sociaal filosoof , dichter en natuuronderzoeker dan een echte ‘homesteader’. Die vind je wel in zuidelijke staten: Het artikel ‘Landhonger’ in De Groene Amsterdammer van juli 2021 gaat over een nieuwe generatie zwarte Amerikanen die vrijheid en controle over eigen land claimt op het platteland. Onder de kop Het Amerikaanse zuiden op je bord volgen de ingrediënten van een Brunswick Stew: maïs, tomaten, cayennepeper, bonen, okra en soms aardappelen. Op het land rond de plaats Brunswick in de staat Georgia zijn de zomers extreem heet, is de grond moeilijk en zijn de families groot, waarbij men ook nog eens graag bij elkaar op bezoek gaat – informeel, zonder agenda’s. In de behoefte aan grotere hoeveelheden voedzame, goedkope ingrediënten wordt vooral voorzien door de bonen.
Aardappelen
Evenals de tomaat, de paprika, en de aubergine behoort de aardappel tot het geslacht nachtschade (Solanum) in de nachtschadefamilie. In het Nederlands lijkt de naam weinig goeds te voorspellen, maar in het Latijn valt dat reuze mee: ‘solari’ betekent ‘troostend’, in de zin van ‘verzachtend, verlichtend’; de planten werden vroeger gebruikt ter pijnstilling. En ‘schade’ betekent hier schaduw. Toch is ons voorgevoel niet helemaal ten onrechte: de genoemde planten maken alkaloïden aan, giftige stoffen ter bescherming tegen vraat en schimmels. Bij de aardappel is dat solanine. Een groene kleur en uitlopers bij de aardappel duiden op een verhoogde aanwezigheid van solanine. Advies: bewaar de aardappels op een donkere, koele, droge plek en snijd de groene delen en uitlopers ruim weg.
Nadat de aardappel zijn weg naar Spanje had gevonden, heeft het nog geruime tijd geduurd voordat hij, vooral in de noordelijker landen van Europa, tot gewone dagelijkse kost ging horen. Aanvankelijk wist men zich eigenlijk geen raad met de plant; na de bloei verschenen er ook bessen met daarin zaden, maar die bleken uiterst giftig, evenals de bloemen zelf, de stengels en de bladeren. Met de ondergrondse knollen kon je de plant vermeerderen, maar verder…? Kortom, de ontdekking van de onderaardse zetmeelreserve als energiebron voor mensen liet op zich wachten. Er zat ook geen druk op die ketel, want men had ruimschoots voldoende aan een andere verschaffer van koolhydraten: de suikerrijke pastinaak.
Wie in het woordenboek ‘aardappel’ opzoekt, krijgt een aantal uitdrukkingen mee waarin dat woord voorkomt. Het valt me op dat ze allemaal iets negatiefs te melden hebben. Een overtreffende trap is wat dat aangaat ook het gedicht van H.H. Ter Balkt : Platvloerser en toch blijmoediger plant / leeft er bijna niet in dit sombere land. / De aardappel is zo Hollands: hij danst dom / de aardappelmand in en veel later de mond. / Het bruin van oude veel gebruikte balzakken / en van wel zeer versleten bruiden paart hij / aan varkensachtige rondheid, Grootmogoldom / en de gezichtsuitdrukking van rollende munt. / Op de balzaal van gods akker wiegelt hij blij / en zijn spaarbank heeft hij onder de grond.
Vergelijk de insteek met die van het volgende gedicht van de Amerikaanse Jane Kenyon, in mijn vertaling: In haast op een avond dat ik stond te koken / Gooide ik een aardappel weg die was aangetast / aan een kant. De rest had kunnen worden
gered. In de gele afvalemmer / werd hij deelgenoot van koffieprut, / bananen schillen, wortelschraapsel. / Ik gooide alles op de composthoop / waar dampende afvalresten en bladeren / terugkeren, als lichamen uiteindelijk, naar de aarde.
Toen ik de stinkende lagen keerde met een hooi / vork om de hoop te luchten, kwam de aardappel weer tevoorschijn / onverstoorbaar, als om mij te beschimpen –
op het oog voller, steviger, hersteld / in plaats van uit elkaar vallend. Hij scheen te groeien / tot ik een shepherd’s pie had kunnen maken / voor een heel dorpje, mensen die de dag doorbrengen / met bomen vellen, benzine tanken, het ophangen / van tweedehands kleren aan de waslijn.
Tomaten
De tomaat, ook een nachtschade, maakt tomatine aan, een natuurlijke gifstof die beschermt tegen vraat en schimmels. De stof zit in onrijpe groene tomaten, de stengels en het blad van de plant. Naarmate de tomaat rood kleurt neemt de hoeveelheid tomatine sterk af. Advies: groene tomaten laten (na-) rijpen op een zonnige vensterbank of goed verhitten door koken of bakken ( bijvoorbeeld bij het maken van een chutney).
Ook de tomaat heeft er een tijd over gedaan voordat zij verscheen in haar huidige warme, smaakvolle, veelkleurige weelderigheid – gul voor iedereen. De eerste tomaten die in Spanje en Italië aankwamen waren klein, geel en onsmakelijk. De Italianen noemden haar pomo d’ oro, goudappeltje. En kijk nu eens wat zij ermee hebben kunnen doen! Via Europa keerde de tomaat als basisvoedsel terug naar het Amerikaanse continent.
Een gedicht van Carol Coffee Reposa, Texas poetry Calendar 2008. In mijn vertaling:
Boeren zeggen
Dat er twee dingen zijn
Met geld niet te koop:
Liefde en zelf geteelde tomaten.
Ik pluk ze met zorg.
Ze gloeien in mijn handen, glinsteren
Onder hun patina van warm stof
Als onheil werende voorwerpen.
Misschien zijn ze dat ook.
De zomer hier is een smeltkroes
Die ons doet smelten
Elke dag.
De hemelkoepel een blikken plaat
Bakt auto’s, huizen, straten.
Buiten op het land
Stervensdorstig naar water de maïs