kop geschiedenis

Naar voren of een stap terug

Twee seizoenen heb ik nu op de tuin gewerkt, als vrijwilliger. Het hele pad vanaf de ‘rand’ van de vrijwilligersgroep en het bedrijf naar het ‘midden’, is gelopen. In het begin was ik weinig spraakzaam en voornamelijk gericht op het werk. Heel geleidelijk is er weer meer energie gekomen om gesprekken te kunnen voeren. Ik durf nu mijn interesse in het wel en wee van mijn tuingenoten ook eerder in een vraag te gieten. Ja, je zult er maar last van hebben, elk gesprek als een berg te voorvoelen. Als u het moeilijk vindt om u daar iets bij voor te stellen : stel dat u op vakantie, na een zeer vermoeiende reisdag, de weg naar de camping moet vragen in uw (niet zo heel) beste Frans, hoopt u dan ook dat de ander het helder en kort houdt, en vooral geen nadere vragen gaat stellen ?

Hoe meer je met mensen praat, hoe duidelijker overeenkomsten en verschillen zich tonen. Het valt me vooral op dat er nogal wat collega’s zijn die interesse hebben voor wat zich af zou spelen ‘achter’ onze bekende, dagelijkse werkelijkheid. Interesse voor oorzaken, processen, verbanden en geschiedenissen, die hun oorsprong vinden voorbij het zichtbare en geijkt beredeneerbare. U kunt dan denken aan : reïncarnatie, antroposofie, oosterse levenswijsheden, en vroeg- en voorchristelijke teksten en geschiedenis (gnosis). Nu zijn we hier allemaal een beetje raar – ‘Daar worden ze hier op uitgezocht’, zei een ex-collega eens – maar ik denk toch niet dat ik overdrijf als ik op dit punt een grenslijn door de vrijwilligerspopulatie zie lopen. Als mensen over of vanuit het idee van die ‘andere wereld’ praten, voel ik me voor een grens, voor een slagboom staan ; ik kan niet meer meepraten, alleen nog informeren hoe het aan de overkant is.

En wat moet je dan ? Wegzetten als …vul maar in ? Het daar maar niet meer over hebben en mensen op dat stuk van hun bestaan negeren ? Dat kan niet. De neiging tot ‘wegzetten’ is al langer een naargeestig trekje van mij, dat ik nu juist af wil schudden. En de realiteit is, dat deze mensen - misschien wel juist déze mensen – samen het moestuinproject, waar ik ook belang bij heb, overeind helpen houden. Die realiteit kun je niet negeren ; zie de inleiding van de ingang ‘grensgevallen’. Waar ik ook dichtbij geweest ben, ik kon mezelf nog net op tijd corrigeren, is het quasi begrijpend knikken en ‘meepraten’. Het valt zó goed in te zien waarom mensen, met hun temperament of constitutie of levensgeschiedenis, met een ‘andere wereld’ een leven kunnen hebben, soms zelfs het leven kunnen hebben. Maar iemand naar de mond praten, alleen uit compassie, nee dat deugt niet.

Ik heb door wat te lezen geprobeerd me de taal enigszins eigen te maken. Dat is niet gelukt, maar een taal leer je ook niet op een achternamiddag. Een misverstand minder is echter alvast, dat er achter de genoemde interessen weinig ‘grondig nadenken en kennis van zaken’ zouden schuilen.

Sta ik er dan helemaal buiten, heb ik geen enkel raakvlak met het ‘reiken naar een andere kant’? Nee, dat ook niet, en nu ik er zo eens over nadenk is het thema van een ‘werkelijkheid achter de leefwereld’ in religie, filosofie en kunst heel vaak uitgewerkt. En als thema interesseert het mij weer in hoge mate. Waar sta ik eigenlijk ? Het nu volgende komt voort uit de confrontatie op deze grenslijn. Dit stukje is het beste gebaar dat ik naar mijn tuingenoten kan maken, ondanks onze verschillen.

Geen roependen in de woestijn

Ik sta voor een slagboom en kan niet meer meepraten, schreef ik. Het is goed te beseffen dat iets dergelijks aan de andere kant van de grens ook gevoeld wordt. Daar staat iemand voor die grens en kent een grote moeite om zijn verhaal over de toonbank te krijgen. Tijdens een koude Utrechtse museumnacht liepen mijn tuingenoot A.J. en ik door de stad, allebei een glaasje wijn in de hand. We hadden het over het thema van ‘de wereld achter deze’ en hij leek wel in zijn hum met mijn prangende, kritische vragen, waarop ik trouwens volstrekt heldere en voorlopig voldoende antwoorden kreeg. Maar het meest opgewekt werd hij van het loutere feit dat over dit soort dingen eens gewoon, geduldig, gesproken kon worden. Op een gegeven moment bromde zijn oudtestamentische kop : ’’ Heb je ‘De kleine Johannes’ gelezen ? nee ? Nou dat gaat daarover.’’ Frederik van Eeden (1860 – 1932) schreef dat boek, over het opgroeien van een gevoelige jongen. En zo kwamen we te spreken over wat ik wel uit ervaring kende ; de momenten waarop ik als puber de raadsels en wonderlijkheden van deze wereld voelde, de onmacht ook om daar verstandelijk greep op te krijgen. Ik doel dan bijvoorbeeld op een ervaring van het raadsel van ‘oneindigheid’ door de jonge internaatspupil Törless, uit het boek van Robert Musil :

Op een heldere dag in oktober ligt T. op zijn rug in het gras te staren naar dat ‘smartelijke’ blauw van de hemel in de herfst, omlijst door de kruinen van twee bomen en wat samengebalde witte wolkjes :

‘Het was hem alsof je daar met een lange, lange ladder in moest kunnen klimmen. Maar hoe verder hij erin doordrong en zich met zijn ogen naar boven tilde, des te dieper trok de blauwe, lichtende achtergrond zich terug. (…) Het was alsof de tot het uiterste gespannen kijkkracht blikken als pijlen tussen de wolkjes zwiepte, en alsof die, hoeveel verder hij ook mikte telkens net tekort schoot.’

Net als Törless heb ik meegemaakt dat op school de gaten in het begrip werden dichtgesmeerd met onbegrepen bezweringsformules. ‘Twee evenwijdige lijnen snijden elkaar in het oneindige.’ De verwondering verdween. We gingen over tot de orde van de dag, maar toch is er soms dat verlangen. Kijk, en dan heb je een aanknopingspunt met iemand als A.J., die in procedureel dichtgetimmerd kantoorwerk dood zou gaan, maar gretig middeleeuwse mystici leest.

Een ander punt van herkenning komt bovendrijven als ik me bezin op mijn liefde voor kinderboeken. De heer Dodgson was wiskundige aan de universiteit van Oxford en zijn naam en werk zijn volkomen in de vergetelheid geraakt. Als Lewis Carroll werd hij wereldberoemd met ‘Alice in Wonderland’ en ‘Through the looking-glass and what Alice saw there’ (uitgegeven in 1871). In beide boeken betreedt Alice , respectievelijk via een konijnenhol en door een spiegel heen, een andere, merkwaardiger en merkwaardiger wereld. Vermijdt een goed schrijver clichés en bezweringsformules, een schrijver voor kinderen moet ook nog eens afzien van veel geijkte manieren van zeggen van de doorsnee volwassen taalgebruiker – en daarmee samenhangend ook tot het afzien van de geijkte manieren van kijken en denken. Soms heb je dan een ‘andere kant’ nodig om toch je verhaal te kunnen doen. Daarmee doen Carroll en de zijnen niets kinderachtigs. Integendeel dat zouden meer mensen af en toe eens kunnen doen.

Op een heuvel en wat ik daar meemaakte

Niet zo heel lang geleden was er een moment waarop ik zelf even heel driftig gezocht heb naar een opening naar ‘een andere kant’, naar een teken van een ‘wereld achter deze’. Opvallend genoeg gebeurde dat op een plek waar de dood niet uit het bewustzijn is.

Mijn vader is gestorven op 16 mei 2000 en er gaan weken, soms maanden voorbij dat ik niet aan hem denk.

Zoiets zou niet te vatten zijn voor I. , een Surinaams-Nederlandse, die vroeger op de tuin werkte en die elke ochtend bij aankomst de statige beukenboom, links van de ingang, groette.

Naast haar Bijbeltje had ze die boom, waaraan ze haar zorgen in bewaring gaf en vroeg hoe haar kansen op geluk er deze week voor stonden. Mij dunkt dat zulke mensen een heel ander repertoire kunnen uitvoeren met hun voor- en nageslacht, dan ik.

Mijn vaders foto heeft sinds mei 2005 gezelschap van die van mijn schoonvader zaliger. Beide – in hun eeuw – mannen van formaat! Het is niet dat ze uit beeld zijn, maar er gaan weken, soms maanden voorbij dat ik niet aan ze denk.

Onlangs, op een heldere dag in oktober, was ik weer naar de erebegraafplaats in de Kennemer duinen gegaan. Buiten de ommuring, naast de klokkentoren, ligt een strooiveldje schuin tegen een duin op. Daar hebben we de as van mijn vader bedekt met rozenbladeren.

Zilverpopulieren, je ruikt de zee, een donkergroene pluk naaldbos in de verte, de vlag wappert – altijd. Zoals altijd eerst een ronde over het middenterrein, langs de grafstenen met de bekende namen. De losse steentjes – een joods gebaar – bij het meisje met het rode haar, de vastberaden knokkende teksten bij de onverzettelijke kameraden, en Nijhoffs ‘ Slechts wie zich sterven laat, kan het leven beuren ‘ bij de christen.

Dan ga ik op de duintop zitten, ‘bij pa’ mompel ik. Een leeg strooiveld. Wegkijkend naar zuid: de waterleidingduinen, waar we in augustus samen bramen zochten, naar west : vakantiewerk en camping Het-Gebroken-Hart, waarover pa natuurlijk niets meer te horen kreeg. Naast me : een leeg strooiveld ; al die calcium op 25 vierkante meter en je merkt er niets van in de vegetatie. En opeens wil ik, eis ik bijna, een teken ‘van de andere kant’, de geruststelling dat er achter dit alles een andere werkelijkheid is, een ‘ergens’ waar het ‘iets’ dat van mijn vader rest, zou kunnen verblijven. Haast reikhalzend speur ik de omgeving af, de hemel, probeer ik de wind te zien, een torretje te ruiken, zandkorrels te horen rollen ; waar blijft dat teken, waar zit die deur toch ?

‘De dichter onder ’t schrijven weegt en wikt / op dood en leven een schermutseling / totdat
de deur eindelijk opengaat.’

En toen dit : even plotseling als het ingespannen zoeken naar een opening, waardoor ik naar voren kan stappen en erachter kan komen, overkomt me een mentale salto achterover. Nou goed…. ik ben vijfenvijftig en overdrijf graag ; ik maakte een mentale stap achteruit.

De werkelijkheid lag plotseling om mij heen in haar wonderlijke er-zijn. Ik voelde me toeschouwer bij het omgekeerde van een verdwijntruc in het theater. Doe even mee : Eerst is (?) er helemaal niets, ja er schijnt een geest te zweven, maar verder moet je alles weglaten – ‘ook je moeder’, voegt Bart Moeyaert er in zijn kinderboek ‘De Schepping’ aan toe ! – zwart is geen kleur, het is de afwezigheid van weerkaatsend licht, van kleur, alles zwart en dan een flits…… presto ! daar ligt de werkelijkheid voor je uitgestrekt. Verbijsterd staar je naar het podium, met de kast, met daarin de lieftallige assistente, met de planken vloer die precies zo ruikt als een planken vloer in een theater ruikt, met het zachte roodfluwelen doek met de gulden koorden, de stoelen, de lichten, de warmte ………..dat alles is, waar net nog niets .

Niks ‘andere kant’, niks ‘deur naar achteren’ ; dit is het, hier is het, het is goed zo, dit is het teken waar ik naar zocht. Eventjes beleefde ik de werkelijkheid als een pijl die naar zichzelf wijst, met de boodschap : ‘dit is een teken’!

Is het er-zijn van deze werkelijkheid niet wonderlijk genoeg ? En alle natuurkundige, chemische en biologische ontledingen van die werkelijkheid zijn vaak ontroerend boeiend, maar raken niet aan het wonderlijke er-zijn van deze werkelijkheid. Daar kan mijn vader nog best bij, zonder dat het veel gekker wordt.

Naar voren of een stap terug

Vooropgesteld, of je nou naar voren wil, om door de schil van het bestaande heen verwijzingen naar het andere te zien, of je doet een stap terug om te kunnen kijken alsof je alles voor het eerst ziet, in beide gevallen kom je op plekken waar je wel kunt verblijven, maar niet blijven. Tenminste, niet als je in maatschappelijk verband iets wil doen.

In het hoogseizoen op de tuin worden om 8 uur de oogsttaken uitgevent. Dan zijn de faxen met bestellingen van de winkel, het restaurant, de groothandel net binnen. Je moet je voegen in de geijkte betekenissen, manieren van doen, afspraken ; baby leaf sla snijden , hoeveel kilo, welk formaat kist dan, voor wie, ook wassen ?, voor het restaurant, bordschoon opleveren dan, veel onkruid ? beetje knopkruid, hoog of laag afsnijden ? lang mes, scherp genoeg ?, voor half elf klaar.

Tijdens het werken ben ik me nauwelijks bewust van mijn wijdere omgeving. Ik ben bij de werkelijkheid zoals die voor mijn taak en bezigheid van belang is ; is dit eikenblad sla ? waar verstopt zich knopkruid of zegekruid ? bruine onderkantjes, hoger snijden. Als ze naar me vragen, ik zit, in meerdere betekenissen, ‘in de sla’.

Maar als we even niets om handen hebben, kunnen mensen dus naar voren of een stap terug doen – pauze-activiteiten. Er zijn op de tuin collega’s die sterk geboeid zijn door de stap naar voren. Het is goed te beseffen dat zij zich daarmee scharen in een lange traditie van de menselijke soort. Dat maakt dat ze daar vaak interessante dingen over te melden hebben. En zolang niemand doet alsof hij of zij eigenlijk aan ‘de andere kant’ woont, vormen zij boeiend en prettig gezelschap.

Ikzelf heb voorlopig genoeg aan af en toe een stap achteruit. Ik hoef niet door de spiegel van Lewis Carroll heen maar probeer – wat een wonderlijk verschijnsel eigenlijk, zo’n spiegelbeeld – met meerdere spiegels de spelmogelijkheden met deze werkelijkheid uit. En ja, hoewel anders dan I., groet ik nu ook ’s ochtends de beukenboom. Eerst nog wat beschaamd in het Engels – ‘Morning mr. tree’ – maar later, toen ik de varkens wel spontaan bleek te kunnen groeten, recht uit het hart.

Laan van Maarschalkerweerd 2
3585 LJ Utrecht
Telefoon: 030 2144869
Email: info@moestuinutrecht.nl