kop geschiedenis

Van het land en de stad

Mijn vriend Willem laat mij het stadje Buren zien, in de Betuwe, het aloude ‘eiland der Bataven’. Even buiten de stad ligt midden in een weiland, omgeven door wat lage boompjes en struiken, een oude joodse begraafplaats. Goed dat de Hollanders in de 17-de eeuw en later, de joodse religieuze plicht om eenmaal begraven doden nooit meer te storen, hier hebben gerespecteerd. Joodse graven worden nooit geruimd of verplaatst. Anderzijds is het een veeg teken dat de begraafplaatsen vaak (Overveen, Aalten) een eind buiten de stadsmuren liggen ; eeuwenlang zijn Joden hier in veel steden niet welkom geweest. Zo werden ze in 1444 verbannen uit de stad Utrecht, onder een oplevend anti-semitisme. Ze verdwenen niet geheel uit de stad maar hun positie werd zwakker, ze hadden niet dezelfde rechten op verblijf en beroepsuitoefening als christenen. Pas in 1788 werden ze weer in hun rechten hersteld. Wie buiten de stad moest leven en begraven zou worden, ja bestond die eigenlijk wel ?

Mijn vriend en ik kijken naar het stadje en we zijn het er snel over eens dat de aanblik een helder, schoon en geruststellend gevoel geeft ; daar ligt de complete stad, scherp afgegrensd zet ze een bescheiden maar duidelijke punt, in het oneindige rivierenland in de wind. Beide, stad en natuur, blijven gezien in hun eigenheid. En dat lijkt ons wel belangrijk, want stad en land staan van oudsher voor verschillende dingen. Ten dele dwingend en ten dele uitnodigend leiden ze de levensdrift door verschillende beddingen, leiden ze naar verschillend gerichte vormen van (samen-)leven. En alleen vanuit een duidelijk onderscheiden eigenheid kunnen ze een betrekking tot elkaar hebben.

Van het land en de stad

Het land, het thuis van de kleine boeren, wordt doorgaans verbonden met begrippen als : plaatsgebonden karakter, natuur, zich aanpassend aan de omstandigheden, traditioneel, conservatief.

De stad daarentegen staat voor : een algemeen werelds karakter, onderling contact en uitwisseling, cultuur, veroverend en beheersend (militair, infrastructuur, juridisch en bestuurlijk), experimenterend en vernieuwend, vooruitgang.

‘Nou, dan zou ik het wel weten’, zegt u waarschijnlijk, als land en stad zo bot tegenover elkaar worden gezet. Da’s best, maar heb dan even geduld met mijn poging om deze kortaffe tegenoverstelling wat aan te kleden.

Allereerst is de tegenstelling alleen zo op te schrijven na een lange geschiedenis. In het voorgaande stuk liet ik zien dat land en stad nog nauw met elkaar waren verweven in de tijd van onze Romeinse soldaat ; de stad was immers voortgekomen uit het land. Uit de woorden van Huizinga werd duidelijk dat het experimenteren, het speelse, het vernieuwen van juridisch-politieke verhoudingen, niet elke stad van meet af aan gekarakteriseerd hebben.

De stad heeft in de loop der eeuwen de mogelijkheden ontwikkeld die nu aan haar toegeschreven worden. Cultuur scheppen, experimenteren, vernieuwen, veranderen, de stadselites werden ertoe in staat gesteld omdat dáár enige geborgenheid, bescherming en continuïteit geboden werden. En wat ze deden werd er opgetekend. Wie onder bescherming en rechten van de stad leefde werd als individu meer zichtbaar in de geschiedenis. Voor het functioneren van de stad als geheel was de voedselvoorziening het fundament. De burgeroorlogen in het oude Rome ontstonden toen de armere bevolking zich verenigde tegen de Republiek, met onder andere de roep om gratis koren en herverdeling van land.

Ook de landbouw, visserij en veeteelt om Utrecht hebben zich eigenlijk altijd gericht op de plaatselijke markt. Eten en drinken voor de gewone mensen. Vlees, vis, pastinaken, erwten, uien, kool, bier. Uiteraard, de wijnen en de specerijen kwamen later van verder weg, maar die kregen de meeste stedelingen toch niet dus voelden ze zich ook niet verbonden met de productie daarvan. Boeren en vooral boerinnen brachten hun producten naar de weekmarkten, molens, brouwerijen en slachthuizen. Ze kochten gereedschap, kleding, en huisraad in de stad en bezochten herbergen en koffiehuizen. Er was dus eeuwenlang een intensief verkeer tussen stad en omliggend land. Zo kende de stedeling in b.v. de 19-de eeuw ook de ‘typisch Utrechtse appels’ met prachtige namen als Benderzoet, Eysdener klumpke, en Koningszuur, en veel stedelingen kenden minstens de gezichten van de tuinders die ze naar de stad brachten. Zeker, bij het scheiden van de markt ging ieder weer zijns weegs, boeren en boerinnen gingen naar huis, de stadspoorten gingen dicht, maar er was contact.

Dát contact met het land zijn we met de rondrijdende megatrucks van Albert Heyn en andere supermarktketens kwijtgeraakt. We zijn ook exotischer gaan eten en of de stedeling op zijn reizen en televisie kijkend nou veel belang stelt in Thaise boeren of vissers aan het Victoriameer, ik betwijfel het. Dat is ook niet meer op te brengen. Het ‘land’ is de wereld, is alles buiten de stad geworden, en is daarmee niets concreets meer. Het gevoel van een betrekking tot het land, van uiteindelijke afhankelijkheid zelfs, is uit de stad verdwenen. Een stad die zich daarom voluit kan werpen op waar ze, door de bank genomen, goed in was : cultuur scheppen, experimenteren, vernieuwen.

Maar laten we wel zijn, de stad brengt al dat moois niet per definitie of vanzelfsprekend voort. De cultuur kan uiteen vallen in massacultuur en onnavolgbaar hoog opgeschroefd individualisme, dan wel in de flauwiteiten van degenen die in beide teleurgesteld zijn en er hooguit nog wat mee willen ‘spelen’. Het verkruimelen van sociale verbanden, het nauwelijks voorhanden zijn van een concrete volwassen wereld, maken het moeilijk om kinderen in te leiden in betekenisvolle levensvormen. Vernieuwingsdrang kan zich loszingen en verzelfstandigen ; dan zien we steeds nieuwere oplossingen, die alleen nog op zoek moeten naar een echt probleem. En alles moet (moet?) impulsief en snel : ‘Wat goed is komt snel.’ (Tropisch hardhout kan daarom nooit wat wezen.)

Zou de stad, die het ouderlijk nest zo volstrekt ontgroeid lijkt, die niet meer achterom kijkt, belang kunnen hebben bij een herstel van de relatie ? Om weer ‘on speaking terms’ te kunnen komen moeten we eens wat beter kijken naar de bij-betekenissen van ‘het land’, die door de moderne stad zo heftig en vaak smalend worden afgewezen : traag, weinig variatie, elk seizoen een vaste opeenvolging van vaste werkzaamheden, traditioneel, conservatief. ‘En de boer hij ploegde voort… Wat de boer niet kent dat eet hij niet.’

Voor een reactie daarop maak ik dankbaar gebruik van het historisch nawoord van John Berger in zijn schitterende boek ‘Het varken aarde’, het eerste deel van zijn driedelige ‘De vrucht van hun arbeid’.

Elke boer kent de dagelijkse omgang, de vertrouwdheid, met de ongebroken cirkels van de seizoenen, van geboorte, leven en dood, van groei, bloei en afsterven. Dat heeft invloed gehad op zijn tijdsbesef, op het niet te vroeg en niet te laat handelen, een handelen dat altijd vooruit loopt op iets anders en dat dus nooit echt achter de rug komt te liggen. Een boer heeft altijd wat te doen, moet vaak flink doorwerken, maar jachtigheid is in zijn leefwereld misplaatst. Zelfs met de nieuwste technieken laat de natuur zich maar tot op zekere hoogte, en altijd ten koste van iets anders, opjagen. Die kosten kunnen als een boemerang bij de boer terugkomen. Hij heeft wel bewondering voor de wetenschap en techniek uit de stad, maar diep in zijn binnenste weet hij dat het onbekende en onverwachte altijd blijven. Door de eeuwen heen hebben boeren zich tegen die onbestendigheid gewapend, met behulp van rituelen, gewoonten, geloof, beproefde vuistregels in het werk, en duidingen. En weer geldt : als je goed kijkt, blijkt dat de boer wel degelijk improviseert en vindingrijk is, binnen de beproefde werkwijzen. Berger : ‘Elke keer dat een boer hetzelfde karwei doet zijn daarin elementen veranderd. De boer improviseert voortdurend. Trouw aan de traditie is hij altijd slechts bij benadering.’(p.235)

De boer – klein of groot – leeft in een onvoorspelbare wereld, en beleeft misschien wel veel meer veranderingen en variatie dan een comfortabel zittende stedeling. Hij heeft een scherp oog voor kleine dagelijkse veranderingen in alles : het weer, het gewas, beesten, mensen om hem heen, de toestand van zijn materiaal, de markt. Hij is een actief waarnemer en beoordelaar. Ik zie het aan onze bedrijfsleider, een belangrijk deel van Pieters werk is een regelmatige routine van rondlopen en kijken, en nog eens kijken en beslissen. Het is niet alleen een scherp kijken, maar ook gedurig.

In West-Europa is in de 17-de eeuwse steden een vooruitgangscultuur ontkiemd. Die kwam te staan naast en uiteindelijk tegenover de overlevingscultuur van het land ; een opeenvolging van steeds terugkerende, op overleving gerichte handelingen, langs de draad van de traditie. De traditie is de geschiedenis van de wil tot overleven, en de boer wil haar behouden als de zingeving van zijn bestaan. De traditie herinnert aan de zin en geeft enig houvast, een beeld van continuïteit naar de toekomst. Berger formuleert : ‘Boerenconservatisme verdedigt geen privileges. Hun behoudzucht geldt niet macht, maar de zin van het bestaan.’

Waarom nog iets willen met elkaar?

De drijvende kracht achter het streven van de stad naar vernieuwing is nieuwsgierigheid. Die zou zich ook kunnen uitstrekken tot de menselijke, landschappelijke en natuurlijke historie van de plek waar men woont. Ik gaf het al aan : de lokale geschiedenis van de plek, was eeuwenlang een geschiedenis van stad én land, hoewel er over het stedelijk gebeuren meer opgeschreven kon worden. Nieuwsgierigheid daarnaar is zonder enig nut maar kan wel een functie hebben. De geschiedenis van je plek ontdekken is een betekenis scheppende bezigheid. Net als de oplevende belangstelling voor het koken, ingrediënten en warenkennis.

De stedeling heeft belang bij de mogelijkheid van niet-stadse recreatie. Een aantrekkelijk landschap als achtertuin van de stad, lijkt me zeer gewenst. En stad en land zouden in gesprek kunnen raken over nog andere mogelijkheden dan wandelen, fietsen, en kano varen, zolang men maar niet probeert de stad naar het land te verhuizen.

En verder denk ik dat het land de stad zou kunnen herinneren aan mogelijkheden op de gebieden van werken, leren, en (samen-)leven, die onder druk staan of al in de vergetelheid zijn geraakt. Het land bewerken is een ambacht. Dat wil zeggen er zijn methoden, technieken en vuistregels, maar in de toepassing moet ook geïmproviseerd worden en is creativiteit nodig. Een kunde kent geen mechanische toepassingen. Daar komt bij, dat het ambacht voor iedereen zichtbaar is. Ook zonder dat het er op staat, en zonder logo, weet u wat we doen. Op de boerderij als werkgemeenschap bestaat wel een taakverdeling, maar iedereen houdt ook zicht op het geheel.

En tenslotte – maar hier komen we op het gladde ijs van de beeldspraak die ook te ver kan worden doorgevoerd – kan het land de stad herinneren aan het feit dat natuurlijke, en dus menselijke processen tijd vragen, aan het belang van rijping ook.

Denkend aan grensland, zie ik

Willen land en stad iets voor elkaar kunnen betekenen, dan lijkt het zaak om, al is het maar op bepaalde stukken, de grens zo scherp mogelijk te houden. Anders gezegd, niemand gaat graag ‘naar buiten’ als hij eerst door een uitgestrekt industrieterrein of verrommeld gebied heen moet. Verrommeling van het grensgebied is trouwens een uitdrukking van dédain voor het land ; het putje waarin de stad kan overlopen, waarvoor geen denkwerk, visie en inzet nodig zijn.

Dan is het belangrijk dat veeteelt- , land- , en tuinbouwbedrijven in grensland iets te bieden hebben aan de stedelingen, en dat zou liefst meer moeten zijn dan iets te koop aanbieden. Wij hebben de laatste jaren geprobeerd om er een plek van te maken waar mensen ook met elkaar kunnen praten over de teelt, de beesten, de imkerij, het bedrijf, koken en eten, en de geschiedenis van de plek.

Boeren zijn best bereid een deel van hun inkomen uit landschapsbeheer te halen. In grensland betekent dat het verzorgen van de achtertuin van de stad. Wij werken daarbij samen met vrijwilligers uit de woning zelf. Door de ligging in het grensgebied kan een bedrijf bovendien volop putten uit ‘stadse’ kennis en interessen op gebieden van : de gezamenlijke geschiedenis van stad en land ter plekke, didactiek, natuur en milieu en milieutechniek. Ook daarin zijn een voortrekkersrol en brugfunctie voor zo’n bedrijf denkbaar.

Terugkerend naar het begin van dit stuk : het is van belang dat stad en land hun eigenheid behouden. Maak dus van de landelijke omgeving, inclusief de historische en archeologische elementen, geen museum voor de stad. De ligging in grensland en het streven naar herstel van de relatie zouden daartoe kunnen verleiden. Nee, vertel mensen over de natuur en de geschiedenis van ‘hun’ pendelroute tussen woning en het buitengebied, waar ze dagelijks of wekelijks doorheen kunnen fietsen en wandelen. Zou het niet een prettig welkom zijn als nieuwkomers in een buurt dáárover informatie zouden krijgen, b.v. via hun makelaar of verhuurbedrijf ?

En voor het boerenbedrijf geldt : gedraag je niet als museum, haak niet in op nostalgie, op romantische sentimenten. Heimwee is een gevoel dat sterk vertekent. En : haal geen dingen uit de stad binnen die daar geboren zijn en thuishoren, die niets met je eigen kern te maken hebben. Mijn en dijn, ieder het zijne.

Laan van Maarschalkerweerd 2
3585 LJ Utrecht
Telefoon: 030 2144869
Email: info@moestuinutrecht.nl