Van de eeuwige stad en het platteland
Hoe zou het ze vergaan zijn, de kinderen van de eeuwige stad - Rome ! - die zich hier, zo vanaf 12 v.Chr., vestigden bij Vechten, in het platste, en dus het natste, aller plattelanden ? Hun hoogste baas was Augustus, ‘de verhevene’, de eerste die zich keizer mocht noemen na de bijna 500 jaren van de republiek Rome. Maar laat ik hun ‘plek’ in de tijd wat uitgebreider weergeven :
In het jaar 12 voor Chr. veroverde de Romeinse veldheer Drusus, een adoptiezoon van keizer Augustus, het rivierengebied, hier in Neder Germanië. Julius Caesar was tijdens zijn Gallische oorlogen wel een keer de Rijn overgestoken voor strafexpedities tegen de Germaanse stammen, maar had het daarbij gelaten. Onder Augustus vatte Rome het plan op om de grens van het rijk te verleggen van Rijn naar Elbe. Drusus moest daartoe op het ‘eiland der Bataven’ een uitvalsbasis scheppen...
Hoe vaak heb ik dit nu al niet gefietst ? Het pad langs stadsboerderij De Koppel in Lunetten. Ik kijk tussen twee rijen populieren naar de hoge aarden wal die de A12 afschermt, en in die wal zit een donker gat van 2 bij 3 meter, met roestbruine ijzeren wanden. Het is met opzet gemaakt. Eerlijk gezegd heb ik het gat al die jaren weggezet als het zoveelste ‘geinige ideetje van een conceptuele kunstenaar’. Het stonk er altijd naar pis en er werden pakken reclamefolders gedumpt. Hier, op de nieuwe stadsgrens, had de stad duidelijk gefaald, vond ik. Maar sinds kort ben ik er achter dat hier wel eens de Romeinse Limes – de grensweg tussen de versterkingen – gelopen kan hebben. Ik stap het gat in, het is er schoner dan vroeger, de graffiti is ronduit onheilspellend, het gat is aan de andere kant dicht – het is geen tunnel. Ik probeer me te oriënteren : schuin links ligt knooppunt Lunetten, links aanhoudend aan de andere kant langs de A 12 kom je uit op de Marsdijk die langs fort Vechten loopt. Daar, op de plek van het verhoogde stuk, waar nu een boomgaard is, lag het castellum Fectio.
Aan de oever van de Rijn staat een Romeins soldaat - aanvoerder van honderd man. Hij heeft zijn plek zorgvuldig gekozen. Een offer gaat hij brengen, aan de riviergod. Zilver, in een luxe roodbruine, aardewerken pot. De rivier is hier niet dezelfde als verderop, waar huisvuil en afval van de nederzetting in het water gestort worden. Hij houdt de pot met gestrekte armen voor zich, en tracht de hele rivier in zich op te nemen, de aanblik van dit water hier te overstijgen en stil te staan bij alles wat stroomt. Hij is niet beschroomd, laat staan bevreesd, tegenover deze god. Hij stamt af van boeren, akkerbouwers, een sterk geslacht dat gewend is het land naar de hand te zetten en over het resterende stukje, waar geen macht over is, te onderhandelen met de natuurgoden. Hardop en direct, spreekt hij zich uit : ‘Dat het water een voorspoedige tocht met de boten over de rivieren en het Flevomeer mogelijk maakt. Dat het water geen belemmeringen zal opwerpen. Dat ook de troepen die zich over land naar de rivier de Eems zullen begeven, niet verrast zullen worden door plotseling stijgend water. Daartoe breng ik dit offer en beveel tevens in uw aandacht aan dat de komende expeditie onder bevel staat van Germanicus, zoon van Drusus de aangenomen zoon van Augustus, welke laatste, na zijn dood een jaar geleden, zelf tot het godenrijk is toegetreden.’ En met een bijna zakelijk gebaar overhandigt hij het offer aan de rivier.
De soldaat draait zich om en loopt het brede aanlegplatform af naar de noordelijke poort van het castellum, steekt de Limesweg over, en betoont eer aan zijn hoofdkwartier. Hoewel het uit hout is opgetrokken - er is in deze contreien geen bruikbare steen te vinden – maakt de aanblik van de bouwstijl steeds weer de liefde voor zijn thuisgrond in hem wakker. Zijn eerbetoon geldt ook de boven hem gestelden. Diepe eerbied en ontzag heeft hij voor zijn aanvoerder Germanicus, die al verschillende tochten over de Rijn heeft geleid. Op zijn eerste tocht met hem had hij het al meegemaakt : de noordenwind die samen met de maanstand het water zo snel deed stijgen dat alle land werd overstroomd. Geen onderscheid meer tussen onvaste en vaste grond, tussen wadden en diepe geulen. De mannen worden omvergespoeld door golven, meegezogen door draaikolken, lastdieren, bagage, lijken, alles dreef tussen hen door. In niets had de dappere hier een voorsprong op de zwakkeling, bedachtzaam of roekeloos, overleg of blind toeval, het was alles om het even onder het geweld van het water. Zij, die een eervolle dood op het open slagveld zouden verwelkomen, raakten in verwarring door de roemloze dood om zich heen.
‘Niet alleen in de moerassen zijn de Germanen in het voordeel, ook in de bossen, zoals Varus 24 jaren geleden heeft ondervonden’, heeft hij Germanicus horen uiteenzetten. ‘Weer volgen wij trouw het bevel van onze keizer Tiberius : het verleggen van de grens van het wereldrijk naar de Elbe. En ditmaal zullen schepen ons daar brengen waar de kansen in de strijd gelijk zijn. Eenmaal daar, acht ik, Germanicus, het onze plicht onszelf te verontreinigen met het alsnog begraven van de zo smadelijk verslagen mannen van Varus, in het Teutoburgerwoud.’ Over twee dagen zullen ze afvaren.
De volgende morgen vertrekt de honderdman, na een sobere maaltijd, te paard in zuidwestelijke richting. In gedachten neemt hij de voorraden door : gedroogd vlees, zakken graan, nieuwe tonnetjes garum zijn onlangs aangevoerd door de schippers uit Tongeren. Ongeveer twee mijlen verder ligt een boerderij, waar hij gaat praten over een versnelde levering van graan en vers vlees. Zorgvuldig en betrouwbaar is hij, als het om afspraken gaat. Hij heeft extra geld bij zich. Geld dat de plaatselijke boeren kunnen besteden in de vicus. Rustig stapt zijn paard over de weg door het veen, de zuidwesten wind voelt zacht aan. Op sommige plekken is de weg verstevigd met tegen elkaar liggende stammetjes, en daar weer zoden over. Dat hebben zijn mannen moeten doen, want de plaatselijke bevolking is volstrekt niet geïnteresseerd in vervoer, maar ook niet in het naar je hand zetten van waterlopen, de zorg voor goed drinkwater, riolering, en het vastleggen van afspraken, laat staan het nastreven van enig comfort. Als hij om zich heen kijkt, overvalt hem plotseling een gevoel van verlatenheid, van diepe eenzaamheid. Naar men zegt is dit de rand van de beschaafde wereld, waar de zuilen van Herkules zouden zijn, waar de godenzoon van de twaalf zwaarste werken, de god van het werken met bloed, zweet en volharding….… Jupiter sta ons bij, er zal hier nog zoveel werk verzet moeten worden. Het land is leeg. Geen stad, zelfs geen dorp, zelfs geen teken dat ze achter de horizon wel liggen, geen blijk dat ze als verlangen bestaan in de harten en hoofden van deze mensen. Zevenentwintig jaren geleden is het nu, dat Drusus in deze streken aankwam, Drusus die met een dam en een gracht het water de Oude IJssel in dwong zodat hij makkelijker naar het noorden kon varen, en nog leven deze mensen hetzelfde als toen, en als in de tijd van Julius Caesar, en wie weet hoe lang al !
Boerderijen, nooit meer dan twee of drie bij elkaar, liggen als zwerfkeien verstrooid over het land. Een zoon die zelf wil boeren maakt een eindje verderop zijn erf. En als het te drassig wordt dan trekken ze ergens anders heen. Een woonstalhuis - ze leven bij de beesten - is zo gemaakt, van hout, riet en muren van gevlochten takken die met leem worden dichtgesmeerd. Hij kan zich niet voorstellen dat deze mensen van hun plek houden zoals hij van Rome houdt ; overlevers zijn het, die het vege lijf redden door op alle paarden een beetje geld te zetten, wat verbouwen, wat beesten houden, wat jagen, bessen plukken, en in het uiterste geval gewoon vertrekken. Zodra het lijf gered lijkt, is er genoeg gedaan, en dat in uitzichtloze voortzetting van armoedigheid. Hij kan het niet anders zien.
Als jongeling is hij soldaat geworden. Vele uithoeken van het rijk heeft hij gezien en hij is al zo lang weg uit Rome dat de eeuwige stad voor hem alleen nog bestaat in de herinnering aan de verhalen bij het haardvuur en de balladen over het Oude Rome. Overschotten, handel, boeren waren rijke boeren geworden, die hun nuchtere, praktische vernuft gebruikten om marktplaatsen uit te bouwen tot steden. Maar in de verhalen rond het vuur had hij ook gevoeld dat de oude angst voor de mislukte oogst gebleven was, en in de balladen hoorde hij hier en daar de vrees doorklinken van de stedeling, zonder eigen grond, voor de honger. Die angsten waren meegenomen in de groeiende stad, en hij wist hoe ze bezworen werden : treed de kosmos met enige bravoure tegemoet, ook al weet je dat je het kunt verliezen, wie zo ten onder gaat sterft met eer.
Onder Augustus was het voor soldaten alleen maar beter geworden ; een vaste diensttijd, pensionering en voor bondgenoten het Romeins burgerschap. Dat was voor hem van belang. Over eerdere tijden, van de burgeroorlogen en van de uitspattingen, wist hij nauwelijks iets.
Daar ligt de boerderij. De enige in de wijde omgeving. Meidoorn hagen bakenen twee kleine percelen af voor het vee. Dat is belangrijk voor ze, vee. Hoe meer je ervan hebt, hoe hoger je staat in de rangen van hun clan. Het akkerland, rechts van hem, is op geen enkele manier afgebakend. Hij begrijpt best waarom dat hier niet nodig is, maar toch treft het hem als achterlijk. Als jongen heeft hij meegekregen hoe de landrechten exact werden uitgelijnd met Termini. Die grensstenen, ter beteugeling van de hebzucht, trokken lijnen tussen buren en schiepen tegelijk een verbond tussen buren. De stenen waren ook offerplaatsen, ze verplaatsen was heiligschennis, was een verstoring van de orde in de kosmos en de gemeenschap. Buren vierden er hun verbond ; het feit dat eenieder de grenzen – met enige huiver - eerbiedigde. Als hij het erf oprijdt is zijn aandacht weer bij zijn taak. Voor versnelde levering heeft hij vier zilverstukken over, bovenop de afgesproken prijs. En als de hoofdman weer met zieke familieleden aankomt om hem meer af te troggelen, nee, liefdadigheid is hem vreemd, hij is niet ruim van hart ……
Maar waarschijnlijk kon niemand dat in die tijd al zijn, denk ik, terwijl ik mijn ‘gat in de dijk’ weer uitloop. Jezus, die blijkbaar nogal rondspookt in de hoofden van deze graffiti schrijvers, was toen vijftien jaar oud.
Rome, triomfantelijke stad
De Nederlandse historicus Huizinga schreef in 1938 : ‘Op het eerste gezicht schijnt de Oudromeinse samenleving veel minder speltrekken te dragen dan de Helleense. De aard van het antieke Latijnendom schijnt ons bepaald door kwaliteiten van nuchterheid, strakheid, praktisch economisch en juridisch denken, geringe fantasie en stijlloos bijgeloof. De boers naïeve vormen waarin de Oudromeinse gemeenschap naar goddelijke bewaring streeft, rieken naar de akker en het haardvuur.’ De stad kwam uit het land voort, en ze deelden in het begin een geschiedenis. Gaandeweg begint de stad haar eigen krachten en mogelijkheden te voelen. In Rome betekent dat de ontplooiing van de macht tot het maken van nuttige zaken als riolering, wegen, en drinkwatervoorzieningen, en de macht tot beheersen, veroveren, uitbreiden. Dit liep echter uit op de volle concentratie van bevoorrading, besturen en beschaving op de steden, ter wille van een kleine minderheid, die zich boven rechtlozen en armen verhief. De stad was ‘staat’ en zij drukte uit waar men het heil van verwachtte : macht tot beheersen. Huizinga weer : ‘ (…) dat men bleef doorgaan met het stichten en bouwen van honderden steden, tot op de rand der woestijn, zonder zich af te vragen of deze zich ooit als de natuurlijke organen van een gezond volksleven konden ontwikkelen.’
Wat hier ontbreekt zijn kwaliteiten die ‘de stad’ ook kunnen kenmerken : een zekere speelsheid, experimenteren, het vernieuwen van juridische en bestuurlijke verhoudingen. Misschien ontbrak het aan de daartoe voorwaardelijke ontspannenheid. Die ontbrak ook in de heilige ‘spelen’ die, naast het brood, door de latere keizers aan het volk moesten worden gegeven ; opgewonden erediensten aan de willekeurige macht over leven en dood, de duim omhoog of omlaag, die de gemeenschap bij elkaar zou moeten houden.
In het verhaal over de Romeinse soldaat heb ik geput uit een verzameling van redelijk betrouwbare feiten, beschrijvingen en historische analyses. De boerderij waar de soldaat naar op weg is, heeft gestaan net terzijde van de huidige brink van het oude dorp Houten, waar de contouren ervan in het wegdek zijn aangegeven. In het verhaal zelf wordt wel losjes omgegaan met de chronologie. Ik heb gebruik gemaakt van :